Ineens zag ik hem bij mijn schoonouders. Een herinnering aan vroeger kwam boven: het zilverkleurige kerstvogeltje.
Het was een vreemde eend in de bijt. In de kerstboom. Allerlei gekleurde ballen, denneappels, sterren. Lichtjes in de vorm van een kaars, zilverkleurige slingers, engelenhaar en ook een klein nietig vogeltje met zijn pootjes vast op een soort zilverachtige wasknijper aan een tak.
Bij ons thuis was er altijd strijd wie het kindje Jezus in de kribbe mocht leggen én wie het vogeltje in de boom mocht hangen. Het ophangen van de piek was altijd voor mijn vader.
Het belangrijkste aan het vogeltje, was zijn zachte gladde zijdeachtige staart. Voordat hij in de boom ging, aaide je nog eens voorzichtig die prachtige staart.
Daarna bleef hij drie weken doodstil in de boom hangen aan zijn wasknijper om vervolgens 49 weken opgerold in een papieren servetje in een doos op zolder te verdwijnen.
