Kees

heidewachtel

Vandaag was het weer mannendag. We biljarten dan vaak bij Kees en Annie. Als je binnenkomt, weet Kees al wat hij moet tappen en het staat al voor je, voordat je je jas hebt uitgedaan.
Omdat we er nogal eens komen, krijgt het vaak iets vertrouwds.

De foto achter de bar was me al vaker opgevallen: Een hond die trots de camera inkijkt. Maar ik vergat iedere keer er naar te vragen.
Vandaag niet. Bij het afrekenen wees ik naar de foto. ‘Je hond?’, vroeg ik. Kees zuchtte diep en ging op de barkruk zitten. ‘Ja,’ zei hij, ‘dat was m’n hond. Hij kende me precies. Ik hoefde hem niets te vertellen. Hij had aan een gebaar van me genoeg.’ Hij maakte voorbeelden van gebaren: wenken, op zijn schoot kloppen, hand voor de mond. ‘Als je zei, dat hij moest liggen, bleef hij liggen. Desnoods een kwartier. En als je dan riep dat hij moest komen, kwam hij vrolijk kwispelend naar je toe.
Toen we deze tent kregen, moest hij weg. Midden in de stad. Dat kan niet. hè? Dat was niks voor hem. We hebben hem toen naar mijn vader en moeder gedaan. Daar luisterde hij ook goed naar.’ De blik van Kees werd wat weemoedig. ‘Ja daar luisterde hij ook naar. Behalve als ik er was. Dan was er maar één baas. Het was mijn beste kameraad. Je treft in je leven maar één keer zo’n hond.’ Hij bleef lang stil. Een beetje waterige ogen. ‘Ja je treft in je leven maar één keer zo’n hond……..’